Trog

Een trog ontstaat door convergentie van luchtmassas. Convergentie is het naar elkaar toestromen van lucht. Een teveel aan lucht onderin de atmosfeer veroorzaakt een optilling, gevolgd door afkoeling, condensatie en wolkenvorming. Een trog is op de weerkaart kenbaar aan de flauwe knik in de isobaren achter het koufront van een lagedrukgebied. Op weerkaarten van Bracknell worden deze met een vette zwarte lijn aangegeven. Het weer tijdens een trog is verschillend. Meestal hebben we te maken met een buiig weertype. Buien komen achter een koufront in de steeds koudere bovenlucht steeds meer op gang. Tijdens de passage van een trog worden de buien (door de genoemde optilling) extra actief. Vaak trekt er dan een lijn van buien over Nederland waarin soms ook hagel en onweer kan zitten. Achter een trog ruimt de wind vaak naar west tot noordwest en trekt iets aan. De luchtdruk stijgt dan veelal snel. In veel gevallen passeert een dag later een rug van hoge druk met onderdrukking van de buien en wat grotere opklaringen. Soms kenmerkt een trog zich ook door een wat minder instabiel weertype. Het is dan zwaar bewolkt en er valt buiige neerslag. Eén en ander heeft te maken met de aktuele stabiliteitstoestand van de atmosfeer. In de zomermaanden zijn troggen vaak zéér actief, in de wintermaanden dikwijls wat minder.