Lagedrukgebied

Lagedrukgebied ten zuid-westen van IJsland

 

Een lagedrukgebied, ook wel depressie, is een gebied waarin de luchtdruk, relatief ten opzichte van de omgeving, laag is. Dit in tegenstelling tot een hogedrukgebied, waarin juist relatief hoge barometerstanden worden gemeten. Bij de 60e breedtegraad ontstaan vaak depressies, doordat de koude lucht van de pool de warme lucht van de 30e breedtegraad ontmoet. Daarom bevinden de meeste depressies zich ten noorden van Nederland. Langs de scheiding van koude en warme lucht ontstaan golven, waarbij de warme lucht zich in de koude lucht dringt. Een golf gaat over in een wig, waarbij aan de voorkant een warmtefront en aan de achterkant een koufront gevormd wordt. Het koufront verplaatst zich sneller dan het warmtefront, waardoor de luchtdruk in de kern sneller gaat dalen. Daar waar het koufront het warmtefront heeft ingehaald ontstaat een occlusiefront. De depressie is volwassen op het moment dat deze drie fronten gevormd zijn.

De lucht rondom een depressie draait op het noordelijk halfrond altijd tegen de wijzers van de klok in. Dit komt door het corioliseffect. Bij stilstaande aarde zou de lucht rechtstreeks naar de laagste druk stromen. Door de draaiing van de aarde sturen de corioliseffecten de winden om het centrum van de depressie heen, spiraalvormig naar het midden toe, waar de lucht verticaal omhoog ontwijkt. Deze stroomt vervolgens naar een hogedrukgebied waar ze de wegstromende lucht aanvult.

In onze omgeving komen depressies meestal vanuit het westen opzetten. Zij worden namelijk op grote hoogte door de straalstroom, die altijd van west naar oost waait, van de Atlantische oceaan Europa in gewaaid. De straalstroom kan ook een golvend patroon hebben, waardoor depressies ook vanuit een veel zuidelijker of noordelijker richting kunnen trekken. Op de nadering van een depressie over de noordelijke Noordzee draait de wind bij ons dus vaak naar zuidelijke richtingen bij nadering van het warmtefront. Voor Nederland betekent dat aanvoer van vochtigere en ook warmere lucht. Deze warme, lichtere lucht schuift over de koude lucht omhoog en koelt daardoor af, waardoor het gaat (mot)regenen. Na enige tijd passeert het koufront, waarbij de koude, zwaardere lucht onder de warme lucht schuift. Door de snelle opstijging van de warme lucht ontstaan er buien en gaat het flink regenen, hagelen of sneeuwen.

Bij de nadering van een warmtefront ontstaat cirrusbewolking, die vervolgens overgaat in cirrostratus en dichter bij het front in altostratus. Langs het front is nimbostratus en /of stratus aanwezig.
Bij de nadering van een koufront ontstaat cirrus die overgaat in cirrocumulus en dichter bij het front in altocumulus. Langs het front is cumulonimbus aanwezig.
Tussen het warmtefront en koufront komt vaak stratocumulus voor en achter het koufront cumulusbewolking.

De tegenstellingen in temperatuur, die in de omgeving van fronten voorkomen, kunnen aanleiding geven tot vorming van neerslag (regen) of buien. Achter een koufront kunnen sterke luchtdrukstijgingen voorkomen, waardoor de wind flink kan toenemen. Snelle luchtdrukveranderingen gaan vrijwel altijd gepaard met slecht weer. Het verband tussen luchtdruk en weer is echter niet zo simpel als de meeste barometers ons doen geloven. Hogedruk en lage druk zijn namelijk relatief en geven alleen het verschil tussen elkaar aangrenzende drukgebieden aan.

Als er een lang hogedrukgebied stagneert wordt de lucht aan de grond opgewarmd. Hierdoor ontstaat er verdamping. Doordat de lucht zo warm en vochtig is, ontstaat er een klein lagedrukgebied. Dit wordt een thermisch lagedrukgebied genoemd. Omdat de temperatuur zo hoog is veranderd een hogedrukgebied vaak in een lagedrukgebied omdat de atmosfeer zo vochtig is. Daardoor kan damp niet ontsnappen doordat een hogedrukgebied damp tegenhoudt. Thermische lagedrukgebieden komen dan plotseling in een hogedrukgebied, waardoor de damp in de troposfeer stijgt, omdat de atmosfeer zo vochtig is wordt het onstabiel en kunnen thermische lagedrukgebieden vaak voor hagel en onweer zorgen.

Het symbool voor een lagedrukgebied is de letter L, ze worden op weerkaarten aangegeven om te bepalen waar een lagedrukgebied zich bevindt, ze worden altijd in de kern van een lagedrukgebied weer gegeven waar de luchtdruk het laagst is, maar ook waar een front ligt wordt dat aangegeven omdat fronten slecht weer met zich mee brengen.

Schematisch overzicht van stroming rond een lagedrukgebied dat zich bevindt op het noordelijk halfrond van de aarde. Luchtdrukverschilkracht weergegeven met blauwe pijltjes, de tendens van het corioliseffect, steeds haaks op de bewegingsrichting, met rode pijltjes.