El Niño

[fusion_builder_container hundred_percent=”yes” overflow=”visible”][fusion_builder_row][fusion_builder_column type=”1_1″ background_position=”left top” background_color=”” border_size=”” border_color=”” border_style=”solid” spacing=”yes” background_image=”” background_repeat=”no-repeat” padding=”” margin_top=”0px” margin_bottom=”0px” class=”” id=”” animation_type=”” animation_speed=”0.3″ animation_direction=”left” hide_on_mobile=”no” center_content=”no” min_height=”none”] Kaart van afwijkende watertemperatuur [°C] in de oceanen gedurende de laatste sterke El Niño in december 1997Langs de evenaar in de oostelijke Grote Oceaan komt in de loop van sommige jaren een sterke opwarming van het normaal koele zeewater voor die van invloed is op het weer in grote delen van de wereld, waaronder soms ook Europa. Dit verschijnsel wordt El Niño (het kerstkindje) genoemd, een benaming die vissers in Peru hebben gegeven. Eigenlijk bedoelen zij daarmee het warme water dat steeds in januari voor de kust van Peru verschijnt en dat daar een eind maakt aan het visseizoen. Onregelmatig, maar gemiddeld eens in de drie tot zeven jaar, leidt El Niño tot zo’n uitgebreide en sterke verwarming van het oceaanwater dat de hele atmosfeer daar gedurende langere tijd door wordt beïnvloed.

La Niña is fysisch gezien het tegengestelde effect. Dit doet zich voor wanneer ongewoon koud zeewater bij de Evenaar is gemeten. Deze golfstroom bereikt niet Peru maar het Caribisch gebied. Vroeger werd dit effect ook wel het Anti Niño effect genoemd maar dat is veranderd omdat het als anti-christelijk kan worden opgevat. El Niño en La Niña zijn beide tekenen van het El Niño – Southern Oscillation of ENSO effect.

De sterkte van een El Niño wordt aangegeven met de Niño 3.4 index. Dat is de afwijking in graden Celsius van de normale gemiddelde temperatuur van het zeewateroppervlak in het gebied tussen 5°Z.B. en 5°N.B. en tussen 170°W.L. en 120°W.L. in de oostelijke equatoriale Grote Oceaan.

Het ontstaan van een El Niño is gekoppeld aan twee voorwaarden:
In de eerste plaats moet er in het westen van de Grote Oceaan meer warm water zijn dan normaal. De passaatwinden stuwen continu het door de zon opgewarmde oppervlaktewater richting Indonesië. Daar ontstaat een dikke laag warm water terwijl langs de kust van Peru juist koel water opwelt.Ten tweede moet het warmere water naar Zuid-Amerika teruggeduwd worden. In sommige jaren woeden in dit gebied gedurende de regentijd (oktober tot en met april), westerstormen die tegen de richting van de passaat in het water terugduwen naar Zuid-Amerika. De

Normaal gesproken wordt het water voor de westkust van Zuid-Amerika aangevoerd door een zuidelijke stroming die koud water uit het Zuidpoolgebied aanvoert. Dat koude water is zeer voedsel- en visrijk. In een El Niño-jaar treedt echter een stroming op die tropisch oceaanwater aanvoert uit de omgeving van Indonesië en de Filipijnen (1982-’83 en 1997-’98 respectievelijk 2,85 en 2,8 graden Celsius warmer). Dat warme water bevat veel minder voedingsstoffen en dus ook veel minder vis. Voor de Zuid-Amerikaanse vissers betekent dat een economische ramp. Bovendien verdampt het opgewarmde oceaanwater sneller dan normaal, waardoor het normaal gesproken uitzonderlijk droge gebied in een jaar van El Niño wordt geteisterd door zware regenval. Dit leidt in de Andes vaak tot aardverschuivingen en modderlawines die in bewoonde gebieden rampzalige gevolgen kunnen hebben.

Aan de andere kant van de Grote Oceaan, van Australië tot Indonesië, zijn de gevolgen ook ernstig. Daar leidt El Niño juist tot een periode van uitzonderlijke droogte, met alle gevolgen van dien voor de plaatselijke landbouw. De uitzonderlijke krachtige El Niño van 1997-’98 leidde bovendien tot grote bosbranden in Indonesië. Plaatselijke boeren hebben de gewoonte om stukjes bos plat te branden voor nieuwe akkers. Brandjes die snel doven door het vochtige, tropische klimaat. Maar als de regen in de El Niño-jaren uitblijft, kunnen ze uitgroeien tot catastrofale vuurzeeën. In 1997-’98 leidde dat tot ernstige smogvorming tot in Singapore toe. Bovendien, zo hebben Duitse, Britse en Indonesische onderzoekers aangetoond, pompten de aanhoudende bosbranden zeker 2,6 miljard ton CO2 in de atmosfeer. Daarmee leverden ze een forse wereldwijde en voelbare bijdrage aan het broeikaseffect.

Ook in de rest van de wereld is het effect van El Niño groot. Zo is berekend dat de krachtige El Niño in 1982-’83 wereldwijd een schade van 8,2 miljard dollar heeft veroorzaakt. De laatste El Niño van 1997-’98 heeft volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie in meer dan zestig landen aanleiding gegeven tot extreme weersomstandigheden. In totaal zijn 41 landen getroffen door overstromingen en 22 door droogte. De schade die de laatste El Niño heeft veroorzaakt was een veelvoud van het schadebedrag in 1982-’83. Overigens heeft El Niño ook positieve effecten. Zo komen er dan minder orkanen voor boven de Atlantische Oceaan en het Caribisch gebied, en is de winter gemiddeld minder streng in het noorden van de Verenigde Staten.

In West-Europa zijn de effecten van El Niño niet zo groot. Een El Niño leidt in Nederland, statistisch gezien over de periode 1870-2000, tot een relatief nat voorjaar.

zie ook: La Niña

El Niño beïnvloedt het weer in grote delen van de wereld. Veranderingen in de eigenschappen van El Niño – Southern Oscillation (ENSO) als gevolg van de wereldwijde opwarming geven voor die gebieden dus ook veranderingen in het weer. Sjoukje Philip en Geert Jan van Oldenborgh hebben daarom onderzocht hoe ENSO zou kunnen veranderen over de volgende eeuw. Hierbij is gebruikgemaakt van de uitvoer van klimaatmodellen die verzameld is voor het vierde IPCC Assessment Report (4AR), wat op 6 april 2007 verscheen. Hoewel de modellen met de meest realistische weergave van El Niño gemiddeld geen verschuiving laten zien ten opzichte van de huidige toestand van El Niño of La Niña, is er wel sprake van veranderingen in achterliggende mechanismen.

Externe links

[/fusion_builder_column][/fusion_builder_row][/fusion_builder_container]