Dooi

In het eerste etmaal na een vorstperiode wanneer de temperatuur weer boven nul komt wordt door de meteorologen gesproken van dooi. Loopt de temperatuur niet verder op dan 4°C boven het vriespunt, dan wordt dat lichte dooi genoemd. Naar gelang de snelheid van de temperatuurstijging is het een langzame of snelle dooi. Een dag of twee na een vorstperiode hebben de weerkundigen het nog over aanhoudende of doorzettende dooi. In het overgangsgebied met de zachtere lucht kan zich een neerslaggebied vormen en afhankelijk van de snelheid waarmee de dooi intreedt kan er eerst sneeuw vallen, die overgaat in natte sneeuw (dikkere vlokken) of regen. Zet de dooi niet door dan kan de neerslag opnieuw in sneeuw overgaan. Bij een snelle dooi-inval begint het vaak meteen te regenen, waarbij de druppels in de vrieslucht of op het aardoppervlak bevriezen. In de weerberichten wordt dit ijzel genoemd. Het verkeer ondervindt er veel hinder van door sneeuw of ijzel, maar ook vanwege de grote kans op mist of gladheid.